Le Dire en le Dit
Over spreken, luisteren en wat in taal verloren dreigt te gaan (9/24)
In de vorige delen stond de aanspraak van de Ander centraal. Het moment waarop iemand mij aanspreekt voordat ik kan ordenen, begrijpen of oordelen. Mijn denken wordt uit zijn vanzelfsprekendheid gehaald, omdat het zich moet richten naar iemand die niet samenvalt met mijn voorstelling van hem.
Dit deel schrijf ik met meer aarzeling dan de vorige. Niet omdat het onderwerp verder van mij afstaat, maar omdat het dichterbij komt. In mijn werk merk ik telkens opnieuw hoe moeilijk het is om recht te doen aan wat iemand zegt, zonder het meteen vast te leggen in mijn eigen woorden.
Hier stelt zich een nieuwe vraag. Wat gebeurt er wanneer aandacht alleen niet meer volstaat en er woorden nodig zijn?
Hoe terughoudend ik ook luister, hoe zorgvuldig ik ook probeer aanwezig te zijn, op enig moment zal er meestal toch worden gesproken. Er komen woorden waarmee ik kan delen, vastleggen, doorgeven of beantwoorden.
Niet omdat zorg pas met taal begint. Zorg kan zich ook woordloos voltrekken: in nabijheid, aandacht, wachten, aanraking, stilte. Maar zodra zorg gedeeld, afgestemd, verantwoord of rechtvaardig verdeeld moet worden, is taal onmisbaar.
En daar ontstaat spanning. Taal opent iets. Maar taal sluit ook iets. Zij maakt zichtbaar wat anders onuitgesproken zou blijven, en kan datzelfde tegelijkertijd opnemen in begrippen die al voor mij klaarstaan.
Levinas denkt deze spanning met twee begrippen die in zijn latere werk centraal komen te staan: le Dire en le Dit, het Zeggen en het Gezegde. In Autrement qu’être ou au-delà de l’essence krijgt dit onderscheid grote betekenis. Het verandert wat spreken betekent, en daarmee volgens mij ook wat luisteren vraagt. (1)
Bob*
Op een warme middag liep ik een kamer binnen waar ik nog niet eerder was geweest. Daar zat Bob. Hij keek mij aan met een blik die aftastte wie ik was. In zijn hand een boterham met ossenworst.
Toen ik vertelde waar ik altijd de ossenworst koop, brak zijn gezicht een beetje open. De spanning zakte. Alsof we via die worst even in hetzelfde Amsterdam zaten.
Bob was ooit musicus. Na een hersenbloeding was zijn leven veranderd. Zijn woorden kwamen moeizamer. Hij sprak weinig, maar als je hem ruimte gaf, kwam er toch iets.
Tegenover zijn bed hing een poster van Die Toteninsel van Böcklin, versie vijf. Later zouden wij daar vaker over spreken. Die eerste middag stelde ik een vraag waarvan ik niet wist waar die zou uitkomen.
Die Toteninsel van Böcklin, versie vijf
‘Wat ziet u als u naar deze poster kijkt?’
Hij keek lang.
‘Licht,’ zei hij, ‘maar vooral donkerte.’
Ik zei niets. Bob sprak.
Gedurende ons gesprek over het leven, het verdriet en het naderende afscheid, kwam hij regelmatig terug bij de poster van het schilderij. Op de figuur in de boot. Op het water. Op de stilte daaromheen.
‘Misschien wil die man gewoon ergens aankomen,’ zei hij eens.
Daarna bleef het even stil.
Ik vroeg hem naar zijn vrouw.
‘Ze is thuis. En ik ben hier.’ Zijn stem was zacht. ‘Ik wil niet dat ze zich zorgen maakt. Maar ik mis haar. Heel erg.’
Het Zeggen
Iets in dat eerste moment is moeilijk te benoemen. Toen ik de kamer in liep, had Bob mij al aangekeken. Zijn blik tastte mij af, en die blik was er voordat ik wist wat ik zou zeggen. De opmerking die ik vervolgens maakte over de ossenworst voelde luchtig en gewoon, en toch was het al een antwoord. Iets in mij reageerde op iets in hem, voordat een van ons dat zo had benoemd.
Levinas noemt dit niet eenvoudigweg spreken, maar le Dire, het Zeggen. Daarmee bedoelt hij niet eerst de inhoud van wat iemand meedeelt. Het Zeggen verwijst naar de blootstelling aan de Ander: ik ben al aangesproken vóórdat ik uitleg, orden of begrijp.
In de ontmoeting met Bobs blik werd dat zeggen voelbaar. Niet als duidelijke boodschap, maar als aanspreking waarop ik mij moest verhouden. Wat ik zei, was niet zomaar een opmerking. Het was ook een eerste antwoord.
Wat daarna gebeurde, maakt het scherper. Toen ik die opmerking maakte, brak zijn gezicht een beetje open en zakte de spanning. Dat openbreken sprak. Daar gebeurde iets zonder dat er veel woorden vielen. Levinas gebruikt ergens de paradoxale formulering: Dire sans paroles, mais non pas les mains vides: een zeggen zonder woorden, maar niet met lege handen. (2)
Daarmee wijst hij op een gerichtheid die niet samenvalt met uitgesproken zinnen. Zij klinkt mee in de toon, het adem, de pauze, de blik, het gebaar, de stilte en het bewegen van een gezicht.
Toen Bob later zei: ‘Misschien wil die man gewoon ergens aankomen’, en het daarna stil bleef, gebeurde er iets vergelijkbaars. Zijn zin was kort, en de stilte erna droeg iets dat zich niet liet samenvatten. Zolang ik die stilte niet meteen invulde, bleef er iets onbeslist aanwezig. Datzelfde gold voor zijn zinnen over zijn vrouw. Ze waren kort en alledaags, en in hun nuchterheid droegen ze een verlangen en een gemis die zich niet in één begrip lieten vatten.
Hierin ligt de eerste betekenis van het onderscheid tussen Zeggen en Gezegde. Het zeggen is niet simpelweg de tekst van wat iemand zegt. Het is de relationele openheid waarin woorden gewicht krijgen. Het ligt in de woorden, maar ook in hun toon en richting, in hun kwetsbaarheid, in hun adres.
Wie luistert, hoort wat er wordt gezegd en hoort tegelijk meer: dat iemand zich tot iemand uitspreekt, vanuit een bepaalde nabijheid.
Over wat dat betekent voor mijzelf, voor wat Levinas de positie van het me voici noemt, schreef ik al eerder. Wat hier telt, is dat dit zeggen ook in een gewone kamer hoorbaar kan worden, in een gewoon gesprek, op een warme middag.
Het Gezegde
Maar spreken blijft daar niet.
Zodra woorden klinken, ontstaat ook het Gezegde: le Dit.
Wat gezegd wordt, krijgt vorm. Het wordt begrijpelijk, overdraagbaar, hanteerbaar. Het kan worden onthouden, genoteerd en gedeeld. Zonder het Gezegde is er geen gedeelde wereld. Geen afstemming van zorg, geen besluit, geen rechtvaardigheid.
Maar in diezelfde beweging gebeurt ook iets anders.
Wat zich in het Zeggen aandient als gerichtheid op een unieke Ander, krijgt een plaats in betekenis. Het wordt onderdeel van een gedeelde taal die nodig is, maar ook afstand schept.
Levinas gebruikt daarvoor het zware woord trahison, verraad. Dat moeten we niet lezen als een morele beschuldiging. Het wijst op een verlies dat in de taal zelf meekomt. Elk Gezegde legt iets vast van wat zich in het Zeggen niet volledig liet vastleggen. (3)
De zin van Bob: ‘Misschien wil die man gewoon ergens aankomen’, laat zich niet zonder verlies vertalen. Er klinkt verlangen in door. Vermoeidheid misschien. Of iets wat hij zelf nog niet helemaal kon zeggen. Zodra ik die zin duid als afscheid, acceptatie of heimwee, wordt hij helderder en hanteerbaarder. Maar tegelijk ook kleiner.
Interpreteren is soms juist nodig om iets vast te houden. Zonder interpretatie blijft een gesprek niet zelden leeg of ongericht. De vraag is alleen: draagt mijn woord het zijne nog, of vervangt het het?
Ont-zeggen
Levinas geeft aan deze beweging een eigen naam: dé-dire, ont-zeggen. Een uitspraak wordt als het ware teruggehaald nadat zij is gedaan, zodat zij niet stolt tot het laatste woord over de Ander. Ont-zeggen betekent niet dat ik niets meer mag zeggen. Het betekent dat ik mijn woorden niet tot het laatste woord over de Ander maak. (4)
In het gesprek met Bob werkt dit fijnmazig. Mijn duiding van zijn zin over de man in de boot, als verlangen om ergens aan te komen, kan helpen. Maar alleen wanneer ik die duiding draag als een mogelijkheid. Wanneer ik bereid blijf haar weer los te laten, blijft Bobs zin van hem. Sluit ik mijn interpretatie af, dan vul ik de ruimte in die hij zelf openhield.
Op filosofisch niveau reikt deze beweging verder. Levinas’ eigen schrijftrant is doortrokken van een afwisseling tussen zeggen en ont-zeggen. Hij spreekt in begrippen en haalt diezelfde begrippen telkens weer open, zodat zij het zeggen niet vervangen door een leerstuk erover. Jan Goud beschrijft deze afwisseling tussen dire en dédire als kenmerkend voor Levinas’ filosofische schrijfwijze.
Het ont-zeggen is zo een manier waarop denken trouw probeert te blijven aan wat het bijna onvermijdelijk versmalt. Daarmee komt luisteren in een ander licht te staan.
Luisteren
Hier krijgt luisteren wat mij betreft scherpte. Luisteren is voor mij meer dan alleen horen wat iemand zegt. Het vraagt om waakzaamheid voor wat er gebeurt wanneer ik probeer zo goed mogelijk te begrijpen, en om bereidheid om mijn begrip terug te nemen wanneer het de Ander vastlegt.
In de ontmoeting met Bob zat die waakzaamheid in de terughoudendheid. Zijn woorden werden door mij niet meteen samengevat. Ze werden niet direct opgenomen in een kader dat verklaard werd. Ze mochten nog even blijven bewegen.
Zwijgen is niet automatisch zorgvuldig. Spreken is niet automatisch verkeerd. Ook terughoudendheid kan tekortschieten. Ze kan verantwoordelijkheid uitstellen onder het mom van nuance, of voor de Ander aanvoelen als afstand.
De vraag is daarom steeds opnieuw: draagt wat ik zeg het spreken van de Ander, of sluit het dat spreken af? En wanneer mijn woord afsluit, ben ik dan bereid het terug te nemen?
Misschien vraagt luisteren om die dubbele beweging: genoeg zeggen om de Ander niet alleen te laten, genoeg terughoudendheid om de Ander niet vast te leggen, en genoeg bereidheid om mijn eigen woorden te herzien wanneer hun uitwerking daarom vraagt.
De derde
In eerdere delen verscheen de derde: de Ander die ook aanspraak maakt.
Daarmee wordt duidelijk dat mijn verantwoordelijkheid voor deze ene Ander nooit op zichzelf staat. Zij wordt onderbroken en verbreed door anderen die eveneens een beroep doen. Levinas schrijft dat de verhouding tot de derde een voortdurende correctie vraagt van de nabijheid. (5)
En daar hoort taal bij. Zodra er meerdere anderen zijn, wordt het Gezegde onvermijdelijk. Er moet worden gewogen, vergeleken, besloten. In een zorgteam, een organisatie of een dossier kan niemand alleen bij de unieke ontmoeting blijven. Er moet worden overgedragen, verantwoord, verdeeld en soms ook begrensd.
In professionele contexten gebeurt die beweging vaak snel, en soms terecht. Er moet duidelijkheid zijn. Er moeten besluiten worden genomen. De vraag blijft of in dat noodzakelijke Gezegde nog iets doorklinkt van het eerdere Zeggen.
Wordt de Ander alleen nog patiënt, cliënt, burger of casus? Of blijft er in de woorden iets bewaard van de aanspraak die eraan voorafging?
Wanneer rechtvaardigheid alleen nog uit formuleringen bestaat, dreigt zij haar levende bron te verliezen.
Het ont-zeggen krijgt hier een bredere gestalte. Het wordt institutionele waakzaamheid: de bereidheid om onze taal, dossiers en werkwijzen steeds opnieuw te toetsen, zodat zij de ene Ander niet vervangen.
Slot
De spanning tussen Zeggen en Gezegde laat zich niet oplossen. Wij kunnen niet zonder woorden. Woorden zijn nodig. En woorden zijn nooit onschuldig. Ze bewaren iets en verliezen iets. Ze maken verantwoordelijkheid mogelijk en kunnen haar tegelijkertijd afsluiten.
Misschien vraagt dit om een andere vorm van nauwkeurigheid. Let op wat er gezegd wordt en op wat er gebeurt wanneer het gezegd wordt. Blijf je eigen woorden herzien zodra hun uitwerking daarom vraagt.
Misschien begint luisteren daar: op de drempel waar woorden nodig zijn, maar niet alles mogen vastleggen.
* Bob is niet zijn echte naam.
Noten
Emmanuel Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence (Den Haag: Nijhoff, 1974). In dit werk werkt Levinas het onderscheid tussen le Dire en le Dit uitvoerig uit.
Emmanuel Levinas, Humanisme de l’autre homme (Montpellier: Fata Morgana, 1972), 74: « discours en voix de subtil silence faisant signe à Autrui ». Met dank aan Roger Burggraeve voor zijn aandacht voor dit motief.
Levinas spreekt op verschillende plaatsen in Autrement qu’être over de trahison die het Gezegde aan het Zeggen voltrekt. Zie ook AE, 60: « dire, c’est répondre d’autrui ».
Se dédire is bij Levinas geen gewone herroeping. Het is een terug-zeggen waarin het Gezegde wordt opengebroken voor het Zeggen dat eraan voorafging. Vgl. Simon Critchley, The Ethics of Deconstruction. Derrida and Levinas (Oxford: Blackwell, 1992), 7: “How is the Saying, my exposure to the Other, to be Said, or given a philosophical exposition that does not utterly betray this Saying?”
AE, 246: « La relation avec le tiers est une incessante correction de l’asymétrie de la proximité où le visage se dévisage. »
AE, 245–246. Levinas verbindt de derde met vergelijking, samenbestaan, gelijktijdigheid, orde, thematisering, zichtbaarheid en gelijkheid voor de wet. Vgl. Joachim Duyndam en Marcel Poorthuis, Levinas (Kampen: Kok, 2003), over de derde als de plaats waar asymmetrische verantwoordelijkheid maatschappelijke gestalte krijgt.




Wat ontzeggen we elkaar veel, goedbeschouwd. Ik herken de valkuilen van het begrijpen...hoe kun je echt de ander zien en daarop aansluiten. Vind het wel moeilijk als die ander niet ziet hoe hij of zij in een gezelschap anderen tegen zich opzet.