Le Tiers - De Derde
De Ander en de anderen (5/24)
Een man zit in het voetbalstadion met zijn vrouw en hun vijfjarige zoon, het jongetje tussen hen in. Het is zijn verjaardag. Hij draagt een te grote pet van zijn club. De vader drinkt. Zijn stem wordt luider, zijn woorden korter. De vrouw zegt iets, eerst zacht, dan nog eens, harder. Daarna kijkt ze naar haar telefoon. Het kind zegt niets. Het zit tussen hen in.
Een paar stoelen verderop merkt iemand het op; het laat zich niet negeren: de te luide stem, het zwijgende kind, de vrouw die haar blik laat zakken. Tijdens de rust, wanneer zij even alleen staat, loopt hij naar haar toe. Hij zegt: “Gefeliciteerd met jullie zoon.” Ze glimlacht kort. Hij knikt en loopt terug naar zijn plaats. De wedstrijd gaat verder. Er wordt niet meer gesproken.
Het is een klein moment, nauwelijks meer dan één zin. En toch verschuift er iets. De toeschouwer staat hier niet tegenover één gelaat, maar tegenover een veelheid die zich tegelijk aandient: de vrouw, het kind, de man, en de spanning die tussen hen in hangt. Wat zich hier toont, laat zich niet in één beweging beantwoorden. Wie hier te snel meent te begrijpen wat er gaande is, loopt het risico de Ander te beperken tot wat zichtbaar is. Terwijl het gelaat zich bij Levinas juist niet laat samenvatten in beeld, beschrijving of diagnose.
Hier opent zich de vraag die met Levinas’ begrip van Le Tiers, de derde, onvermijdelijk wordt: hoe doe ik recht aan meer dan één Ander tegelijk?
De Ander verschijnt nooit alleen.
Lubaina Himid, Three Architects
De Ander verschijnt nooit alleen
Met le Tiers wordt zichtbaar wat in het vorige deel al duidelijk werd: de Ander verschijnt nooit alleen.
Zolang de verhouding tot de Ander vooral wordt gedacht als directe aanspreking, ligt de nadruk op asymmetrie. Ik ben al aangesproken voordat ik heb gekozen. Ik ben al verantwoordelijk voordat ik de situatie kan overzien. Daarin lag de kracht van Levinas’ correctie op een denken dat te gemakkelijk bij het ik begint. De Ander telt niet pas nadat ik hem of haar heb ingepast in mijn begrippen; de ontmoeting onderbreekt mijn vanzelfsprekende voorrang. Zoals Levinas het formuleert: het goede ontstaat waar in de ontmoeting de Ander telt boven al de rest.
Maar de Ander verschijnt nooit in een leegte. Er zijn altijd ook anderen. In het Frans noemt Levinas die mede-aanwezigheid van anderen naast de Ander le Tiers, de Derde. Daarmee verandert niet alleen de situatie, maar ook de aard van de vraag. Het gaat niet langer alleen om mijn antwoord op deze ene aanspraak, maar om de vraag hoe ik recht doe wanneer meer dan één Ander mij aangaat.
Levinas formuleert dat scherp: de verhouding met de Derde is een voortdurende correctie van de asymmetrie van de nabijheid (1). Dan sta ik niet langer alleen voor één uniek appèl, maar moet ik mij verhouden tot een pluraliteit van anderen. Meteen dringt zich een andere vraag op: wie komt er eerst? Om daarop te antwoorden, moeten unieke en onvergelijkbare anderen toch met elkaar worden vergeleken. Daar begint voor Levinas het domein van kennis, objectiviteit en rechtvaardigheid.
Tot hier toe kon de nadruk liggen op het gelaat, op de aanspreking, op de onmogelijkheid om de Ander in mijn begrippen te vangen. Met le Tiers komt er iets bij dat niet vermeden kan worden: afweging. Zodra meerdere Anderen in beeld komen, volstaat het niet meer om alleen te zeggen dat ik verantwoordelijk ben. Dan moet er worden geoordeeld, vergeleken en afgewogen. Dan komt ook de vraag naar instituties binnen want rechtvaardigheid vraagt meer dan nabijheid alleen.
Daarbij houdt Levinas iets nadrukkelijk vast: de Derde komt niet pas later van buitenaf de situatie binnen. In de nabijheid van de Ander zijn de anderen al op een of andere manier mede aanwezig. Zijn formulering luidt: Autrui est d’emblée le frère de tous les autres hommes (2). De Derde kijkt mij reeds aan in de ogen van de Ander. Daardoor is de overgang van gelaat naar rechtvaardigheid minder abrupt dan op het eerste gezicht lijkt.
Van Gelaat naar rechtvaardigheid
Hier krijgt Levinas’ denken een bredere sociale en politieke betekenis. In de ontmoeting met het Gelaat begint de ethiek. Met le Tiers (de Derde) begint de rechtvaardigheid. Ook de Derde gaat mij aan. De verhouding tussen de naaste en de Derde kan mij niet onverschillig laten. Daarom moet er rechtvaardigheid zijn tussen onvergelijkbaren. Rechtvaardigheid vraagt vergelijking, gelijktijdigheid en de zichtbaarheid van gelaten naast elkaar (3). Zij vraagt daarom ook om ordening, oordeel en een taal die verder reikt dan de directe ontmoeting.
Dat is geen verraad aan de eerste verantwoordelijkheid, maar het is ook niet eenvoudig dezelfde beweging, alleen voor meerdere Anderen. Het Gelaat blijft het beginpunt, maar krijgt niet langer het laatste woord in het enkelvoud. Wie recht wil doen aan meer dan één Ander, kan niet zonder vergelijking, regels, procedures en instituties. Daar raken ethiek en politiek elkaar.
Juist daar wordt zichtbaar waarom Levinas tegelijk zo indringend en zo moeilijk blijft. Zodra meerdere Anderen mij aangaan, moet ik een maat vinden. Maar waar haal ik die vandaan? Hoe vergelijk ik mensen die ieder op hun eigen manier uniek zijn?
Levinas doet niet alsof dat probleem eenvoudig op te lossen is. Hij blijft vasthouden aan de gedachte dat verantwoordelijkheid begint in de ontmoeting met de Ander, maar laat tegelijk zien dat samenleven meer vraagt. Met le Tiers komen ook rechtspraak, beleid, verdeling, vertegenwoordiging, regels en instellingen in beeld. Dan verandert ook de vraag. Het gaat niet meer alleen om de vraag of ik aangesproken ben, maar ook om de vraag hoe ik recht doe aan meerdere Anderen tegelijk.
De maat van de samenleving
Met le Tiers wordt zichtbaar dat de ontmoeting met de Ander zich nooit buiten een bredere menselijke wereld afspeelt. Er zijn altijd ook anderen die eveneens aanspraak maken. Daarmee komt niet alleen de vraag naar verantwoordelijkheid in beeld, maar ook die naar de samenleving: de wereld van verdeling, rechtspraak, beleid en instituties, waarin recht moet worden gedaan aan meer dan één Ander tegelijk.
De asymmetrische verantwoordelijkheid wordt daarmee onder druk gezet. Zij blijft de oorsprong, ook waar vergelijking, afweging en rechtvaardigheid noodzakelijk worden. De verschijning van de velen vraagt om structurele bemiddeling: om sociale, juridische en politieke vormen waarin rechtvaardigheid gestalte krijgt. Maar daar ontstaat ook een nieuw probleem. Zodra verantwoordelijkheid georganiseerd wordt, dreigt de singuliere Ander te verdwijnen in vergelijking, categorie en procedure.
Hier legt Jacques Derrida de vinger op de zere plek. Hij noemt deze onvermijdelijke afweging het schandaal van het verraad: zodra wij een maat aanleggen en keuzes maken over schaarse tijd, aandacht of middelen, is onze rechtvaardigheid nooit volmaakt. Elke beslissing, elke wet en elk protocol sluit immers automatisch andere mensen en mogelijkheden uit. In die zin is ons handelen nooit onschuldig; om echt recht te doen aan de één, komen wij onherroepelijk tekort tegenover alle andere Anderen. In het georganiseerde samenleven bestaat daarom geen volkomen zuivere keuze waaraan niemand wordt opgeofferd. Deze gedachte is voor mij ontregelend, omdat zij aantoont dat ethiek in de praktijk altijd een pijnlijk compromis blijft.
Luc Anckaert formuleert in zijn lezing van Levinas dat de kleine goedheid moet worden verstaan als bron én correctie van de noodzakelijke systemen.(4) Die kleine goedheid is, in de woorden van Roger Burggraeve, vaak onopvallend, terloops en wellicht zelfs onmachtig, maar juist daarin bewaart zij iets van het menselijke tegen de druk van systemen. De kleine goedheid herinnert ons eraan dat achter elke regel, vergelijking of procedure een concrete mens staat die niet opgaat in het algemene. In die zin houdt de menselijke maat het laatste woord, niet om het systeem af te schaffen, maar om te verhinderen dat mensen erin verdwijnen.(5)
Hier ligt een cruciale nuance. Regels, instituties en rechtspraak zijn onvermijdelijk, maar zij mogen niet vergeten waaruit zij voortkomen: uit de concrete aanspreking door de Ander. Rechtvaardigheid kan alleen rechtvaardig blijven als zij open blijft staan voor correctie vanuit de mens die nooit volledig opgaat in het algemene. Levinas spreekt in dat verband over recht dat steeds vervolmaking behoeft, over wetgeving die nooit af is en open moet blijven staan voor het betere.
Hier wordt zichtbaar hoe moeilijk deze beweging is. Om recht te doen aan de samenleving als geheel, moeten individuen die in wezen onvergelijkbaar zijn, toch met elkaar worden vergeleken. In de dagelijkse praktijk van een ziekenhuis, een rechtszaal of het overheidsbeleid blijkt hoe onvermijdelijk dat is. Zodra algemene regels worden toegepast op unieke situaties, treedt een spanning op die zich niet laat opheffen.
Rechtvaardigheid betekent dat niemand het alleen met zijn eigen geweten kan oplossen. Samenleven vraagt om meer dan een eerste morele schok of een persoonlijk gevoel van verantwoordelijkheid. Het vraagt ook om regels, rechtspraak en instituties. Maar die mogen niet vergeten waaruit zij voortkomen. Hun oorsprong ligt in de ontmoeting met het Gelaat, waaruit blijkt dat geen mens mag verdwijnen in een systeem dat hem alleen nog ziet als een geval, dossier of categorie. In die zin staat de kleine goedheid niet buiten de rechtvaardigheid, maar bewaakt zij haar grens. Zij herinnert eraan dat achter elke vergelijking, een mens staat die meer is dan de plaats die hem in een orde wordt toegewezen.
Daarin ligt ook de blijvende betekenis van le Tiers. Levinas laat ons niet alleen nadenken over de Ander die mij persoonlijk aanspreekt, maar ook over de wereld waarin velen tegelijk een beroep op mij doen. Vanaf hier is de vraag naar de Ander altijd ook een vraag naar de Anderen: naar verdeling, afweging en recht.
Wat dit met de vraag doet
Ook de centrale vraag van deze reeks verandert hierdoor opnieuw van vorm. In het vorige deel werd duidelijk dat het niet gaat om een eenvoudige verplaatsing van het middelpunt van ik naar Ander. Nu blijkt dat zelfs de ontmoeting met de ene Ander niet in haar enkelvoud kan blijven staan. Met le Tiers verschijnt een wereld waarin meerdere Anderen tegelijk aanspraak maken. Daarmee verandert ook de verantwoordelijkheid van karakter. Zij blijft geworteld in de aanspreking van het Gelaat, maar beweegt vanaf hier nu ook in de richting van vergelijking, afweging en rechtvaardigheid.
In het volgende deel keer ik eerst terug naar wat aan deze complexe beweging voorafgaat: het moment waarop de Ander mij aanspreekt vóór elke afweging en vóór elke ordening. Bij Levinas is dat le visage, het gelaat.
Noten
Emmanuel Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1974), over de verhouding met de derde als “une incessante correction de l’asymétrie de la proximité où le visage se dévisage”.
Emmanuel Levinas, Autrement qu’être ou au-delà de l’essence (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1974), 245: Autrui est d’emblée le frère de tous les autres hommes.
Emmanuel Levinas, De Dieu qui vient à l’idée (Paris: Vrin, 1982). Voor de samenhang tussen de concrete ander, de derde en structurele rechtvaardigheid, zie ook Luc Anckaert, “De kleine goedheid zonder getuigen: Vasili Grossman en Emmanuel Levinas,” Collationes 53 (2023): 233-250.
Emmanuel Levinas, “De ander, utopie en gerechtigheid,” in Tussen ons. Essays over het denken-aan-de-ander, vert. Adriaan Kalshoven (Baarn: Ambo, 1994), 295-306, hier 301-302. Geciteerd en besproken in Luc Anckaert, “De kleine goedheid zonder getuigen: Vasili Grossman en Emmanuel Levinas,” Collationes 53 (2023): 233-250. Daar wordt uitgewerkt dat de verschijning van de velen om structurele organisatie vraagt, maar dat elk systeem tegelijk het risico loopt de singuliere Ander te verliezen en daarom telkens gecorrigeerd moet worden.
Voor de gedachte dat de kleine goedheid een kwetsbare, onopvallende, maar onvernietigbare tegenkracht vormt tegenover de wereld van systemen, zie ook “De ander die anders antwoordt. In gesprek met Roger Burggraeve over het denken van Emmanuel Levinas en de kleine goedheid,” Vakblad voor Contextuele Hulpverlening 30, nr. 2 (2025)



