Het water was te koud
Camus De val, opnieuw gelezen met Levinas aan mijn zijde (15/24)
Op een novembernacht loopt Jean-Baptiste Clamence over de Pont Royal in Parijs, naar huis. Hij passeert een jonge vrouw in het zwart die over de leuning gebogen naar het water staat te kijken. Hij aarzelt kort en loopt door. Een meter of vijftig verder hoort hij het geluid van een lichaam dat het water raakt, en dan een kreet. Hij blijft staan. Hij draait zich niet om. Hij waarschuwt niemand en hij vertelt het jarenlang aan niemand. Zo staat het in De val van Albert Camus, verschenen in 1956. (1)
Jaren later vertelt Clamence het juist aan iedereen die het horen wil, avond na avond, in een bar aan de Amsterdamse Zeedijk. De grachtengordel eromheen beschrijft hij als de kringen van de hel, met zichzelf comfortabel in het midden. De gevierde Parijse advocaat die hij was, bestaat dan niet meer. Hij noemt zichzelf rechter-boeteling: iemand die zijn eigen schuld belijdt om over die van anderen te kunnen blijven oordelen. Zijn monoloog is briljant en stuitend tegelijk. Wie het boekje leest, merkt hoe gemakkelijk het is om mee te knikken, en schrikt daar dan van, althans ik. Ik herlas De val onlangs en merkte dat ik het niet meer kan lezen zonder Levinas erbij. Niet omdat Camus en Levinas hetzelfde zeggen; want hun werelden verschillen te veel. Eerder omdat Camus in één nacht op een brug zichtbaar maakt wat Levinas een filosofie lang probeert te denken.
De man uit Algiers
Camus werd in 1913 geboren in Mondovi, in het toenmalige Frans-Algerije, als zoon van een landarbeider en een schoonmaakster. Zijn vader stierf in 1914 aan de verwondingen die hij opliep in de slag bij de Marne; Albert was nog geen jaar oud. Hij groeide op in Belcourt, een arme wijk van Algiers, in een huis zonder boeken, bij zijn grootmoeder en zijn moeder. Die moeder, Catherine, was doof en sprak nauwelijks. Wie wil begrijpen waarom stilte in Camus' werk zoveel gewicht heeft, kan misschien het best daar beginnen: hij groeide op naast iemand die hij liefhad en met wie hij bijna niet kon spreken. In zijn onvoltooide, postuum verschenen roman De eerste man keert hij naar die kamer terug.(2)
Albert Camus in Vogue in 1946 / Cecil Beaton/Condé Nast via Getty Images
Een onderwijzer, Louis Germain, zag de jongen en zorgde dat hij naar het lyceum kon; toen Camus in 1957 de Nobelprijs kreeg, schreef hij hem een dankbrief die beroemd is geworden. Tuberculose maakte op zijn zeventiende een einde aan zijn voetbaldromen en bijna aan zijn studie. Hij werd journalist in Algiers, kwam in 1940 naar Parijs en werkte in de oorlog voor de verzetskrant Combat, terwijl hij de boeken schreef die hem beroemd maakten: De vreemdeling en De mythe van Sisyphus in 1942, De pest in 1947. In 1951 volgde De mens in opstand, en daarmee de zeer publieke breuk met Sartre. De val uit 1956 is mede uit die wond geschreven: een zelfportret dat tegelijk een portret van zijn tegenstanders is, en van iedereen die deugd verzamelt als bezit. Vier jaar later, in januari 1960, verongelukte Camus. Hij was zesenveertig.
In hetzelfde Parijs
Het is verleidelijk je een ontmoeting voor te stellen. Levinas woonde en werkte in dezelfde stad, in dezelfde jaren. Toch is er, voor zover ik heb kunnen nagaan, geen ontmoeting tussen hen gedocumenteerd. Ze woonde beiden in Parijs maar in verschillende werelden.
Camus zat in het literaire hart: Gallimard, de redactie van Combat, de cafés van Saint-Germain-des-Prés. Levinas gaf leiding aan een joodse onderwijsinstelling, de École Normale Israélite Orientale, en bewoog zich onder fenomenologen en joodse denkers; hij meed het existentialistische toneel. Ook de oorlog had hen op verschillende manieren getekend. Camus schreef in het verzet; Levinas keerde terug uit krijgsgevangenschap en verloor vrijwel zijn hele familie.
Eén man kenden ze allebei, en via hem raken de twee werelden elkaar bijna: Sartre. Camus en Sartre vonden elkaar in het bezette Parijs, werden vrienden en braken in 1952 publiekelijk, in een polemiek over De mens in opstand die geen van beiden ooit helemaal te boven kwam. Levinas en Sartre waren geen vrienden, maar hun verbinding is misschien nog wel wonderlijker.
Het was Levinas’ proefschrift over Husserl uit 1930 dat Sartre naar de fenomenologie bracht; Simone de Beauvoir beschrijft hoe Sartre het boekje kocht en ter plekke begon te lezen. En in 1964, toen Sartre de Nobelprijs weigerde, schreef Levinas hem een brief: wie de prijs had geweigerd was misschien de enige die nu het recht had om te spreken, en zou naar Nasser moeten gaan om vrede met Israël voor te stellen. Sartre heeft nooit geantwoord.(3) Drie jaar later reisde hij daadwerkelijk naar Caïro en Jeruzalem; of de brief daarbij nog ergens een rol speelde, valt niet te zeggen.
Zo verbindt Sartre de twee mannen zonder hen ooit bij elkaar te brengen: de vriend die met Camus brak, was de lezer door wie Levinas Frankrijk was binnengekomen. En toch raken hun vragen elkaar precies waar De val speelt. Beiden zagen na 1945 dat het Europese humanisme zijn onschuld had verloren: een beschaafde, redelijke wereld had de catastrofe niet verhinderd, en de beschaafde, redelijke enkeling op de brug evenmin. Camus zocht het antwoord in solidariteit en maat, Levinas in een verantwoordelijkheid die aan de keuze voorafgaat.
Latere lezers hebben hen daarom naast elkaar gezet als twee humanismen na de catastrofe.(4) Ik lees het simpeler: De val is de roman die laat zien waarom Levinas vraag nodig is. Clamence bezit alles wat het klassieke humanisme van een mens vraagt, redelijkheid, welsprekendheid, deugdzaamheid, en het redt de vrouw op de brug niet.
Wat ontbreekt is het antwoord aan een ander.
De aanspraak op de brug
De vrouw heeft Clamence niets gevraagd. Ze heeft hem niet aangeklampt, misschien niet eens aangekeken. Toch is hij aangesproken, en hij weet het, want vijftig meter verder staat hij stil. Bij Levinas gaat de aanspraak van de Ander aan mijn begrip en aan mijn keuze vooraf.(4) Ik kan beantwoorden en ik kan doorlopen. Wat ik niet kan, is terugkeren naar het moment waarop er nog niets van mij werd gevraagd.
Clamence loopt door, en juist dat doorlopen wordt het bewijs dat hij geroepen was. Een mens die nergens op had hoeven antwoorden, zou niets hebben om twintig jaar later in een Amsterdamse bar op te biechten.
Roger Burggraeve gaf mij ooit het onderscheid dat hier alles verheldert: het appèl van de Ander is onweerlegbaar, het is echter niet onweerstaanbaar.(5) Als het onweerstaanbaar was, zou er geen ethiek bestaan, alleen maar noodzaak. Juist omdat wegkijken mogelijk is, heeft antwoorden dus gewicht.
Camus heeft bij die gedachte de donkerste illustratie geschreven die ik ken. Clamence is vrij op die brug, en precies die vrijheid wordt “zijn vonnis”.
Goedheid als spiegel
Wat mij bij herlezing het meest bezighoudt, is wat er met Clamences goedheid gebeurt. Voor die nacht hielp hij blinden de straat over, gaf hij zijn plaats op in de tram, pleitte hij belangeloos voor weduwen en wezen, en genoot hij van het beeld dat hem dat opleverde. Camus laat zien hoe hulpvaardigheid een vorm van zelfbevestiging kan zijn, aandacht die vooral de gever streelt. Dat is geen reden om te stoppen met helpen. Het is een reden om de toets ergens anders te leggen: bij wat mijn aanwezigheid voor de ander mogelijk maakt, eerder dan bij het beeld dat ze mij van mijzelf geeft. Effect vóór intentie, zou ik het nu noemen. Clamence had alleen intenties, en een publiek.
De zwijgende toehoorder
Er zit ook een luisteraar in dit boek, al valt hij nauwelijks op. Clamence spreekt zijn hele biecht uit tegen een toehoorder van wie we geen woord vernemen. Juist dat zwijgen maakt de monoloog mogelijk. Voor wie van luisteren zijn werk heeft gemaakt, is dat een ongemakkelijke spiegel: aanwezigheid zonder oordeel kan iemand de ruimte geven om zichzelf te onthullen, en diezelfde ruimte kan een podium worden voor wie zichzelf wil horen praten. Luisteren is geen garantie dat er waarheid ontstaat. Het is de bereidheid om erbij te blijven terwijl iemand zoekt, ook wanneer het zoeken ijdel blijkt. Aan het slot laat Camus de toehoorder heel even bestaan: hij blijkt advocaat, net als Clamence, ooit. De spiegel is rond. Wie luistert, is nooit alleen maar getuige; hij wordt in het verhaal getrokken en moet zich ertoe verhouden.
Het water was te koud
Aan het slot van de roman fantaseert Clamence dat de vrouw nog één keer springt, zodat hij zich alsnog kan redden door haar te redden. Hij weet dat het er niet van zal komen, en hij prijst zich er bijna gelukkig om: het water is zo koud. Daar staat, in één wrange zin, waarom terugkomen niet hetzelfde is als een tweede kans krijgen. De gelegenheid verjaart. De aanspraak niet. Ik schreef eerder over een avond in Bilbao, waar een jonge vrouw mijn blik zocht en ik niet kon ‘verstaan’ wat ze vroeg, of ze iets vroeg.(6) Er was geen plons, en misschien was er niets.
Wat blijft, is de vraag wat ik doe op het moment dat iemand mij passeert en iets vraagt dat ik niet kan verstaan. Die vraag lost geen enkele filosofie voor mij op. Het houdt mij soms wel wakker, en misschien is dat wel wat het moet doen.
Noten
1. Albert Camus, La Chute (Parijs: Gallimard, 1956), in het Nederlands verschenen als De val (Amsterdam: De Bezige Bij).
2. Voor de biografische gegevens: Olivier Todd, Albert Camus. Une vie (Parijs: Gallimard, 1996). De onvoltooide roman verscheen postuum als Le Premier Homme (Parijs: Gallimard, 1994), in het Nederlands De eerste man.
3. De boekhandelscène staat in Simone de Beauvoir, La Force de l'âge (Parijs: Gallimard, 1960); ik vertelde haar eerder in deel 11 van deze reeks. Over de onbeantwoorde brief van Levinas aan Sartre uit 1964: zie het hoofdstuk 'Sartre et Levinas: quel dialogue?' in Sartre et les Juifs (Parijs: La Découverte, 2005).
4. Zie bijvoorbeeld Tal Sessler, Levinas and Camus. Humanism for the Twenty-First Century (Londen: Continuum, 2008).
5. Emmanuel Levinas, Totalité et Infini. Essai sur l'extériorité (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1961); zie over de aanspraak die aan de keuze voorafgaat ook deel 4 en deel 10 van deze reeks.
6. Het onderscheid tussen onweerlegbaar en onweerstaanbaar ontleen ik aan Roger Burggraeve (persoonlijke communicatie, Leuven, 2025); zie ook deel 4 van deze reeks, De asymmetrie.
7. In Stilte als ethische handeling (december 2025) beschreef ik die avond in Bilbao.



